CO₂-uitstoot in de schoonmaak: waar zitten de grootste hotspots?
Waar moet je beginnen als je als schoonmaakbedrijf serieus werk wilt maken van CO₂-reductie?
Veel bedrijven denken direct aan zonnepanelen, groene stroom of een elektrisch wagenpark. Dat zijn belangrijke maatregelen, maar de CO₂-analyse van CSU laat zien dat de grootste uitstootbronnen ook ergens anders kunnen liggen. In de CO₂-footprint van CSU zijn woon-werkverkeer, verbruiksartikelen en machines samen verantwoordelijk voor een groter deel van de uitstoot dan het eigen wagenpark en de huisvesting.
Hoewel de resultaten gebaseerd zijn op één organisatie en dus geen sectorgemiddelde vormen, geven ze wel inzicht in mogelijke CO₂-hotspots binnen schoonmaakbedrijven.
Expert
De grootste CO₂-hotspots
Voor dit artikel is gekeken naar de volledige CO₂-footprint van CSU over 2023. Daarbij is specifiek ingezoomd op de schoonmaakactiviteiten. De activiteiten van zusterbedrijven Tzorg en Zizo zijn buiten beschouwing gelaten.
2023 is gekozen omdat dit jaar een representatief beeld geeft van de situatie vóór diverse duurzaamheidsverbeteringen die de organisatie de afgelopen jaren heeft doorgevoerd.
De resultaten moeten worden gezien als een praktijkvoorbeeld en niet als een sectorgemiddelde. Tegelijkertijd geven ze een eerste indicatie van waar de grootste uitstootbronnen binnen een schoonmaakorganisatie kunnen zitten.
| Categorie | Aandeel CO₂-uitstoot |
| Mobiliteit (woon-werkverkeer en zakelijke mobiliteit) | circa 40% |
| Middelen, materialen en chemie | circa 20-25% |
| Machines | circa 10-15% |
| Wagenpark en gebouwen (Scope 1 en 2) | circa 15% |
Een tweede publiek beschikbaar referentiepunt binnen de schoonmaakbranche is de duurzaamheidsrapportage van Asito uit 2025.
De cijfers van Asito zijn niet één-op-één vergelijkbaar met die van CSU. Beide organisaties verschillen in dienstverlening, omvang, afbakening, categorisering en rekenmethodiek.
Toch laten beide rapportages een vergelijkbaar beeld zien: een aanzienlijk deel van de totale CO₂-uitstoot hangt samen met mobiliteit, ingekochte producten en andere activiteiten binnen scope 3. Daarmee onderstrepen beide voorbeelden het belang van een brede blik op verduurzaming.
Wat zijn Scope 1, 2 en 3-emissies?
Scope 1 en 2 omvatten de directe uitstoot van een organisatie. Denk aan brandstofverbruik van voertuigen, aardgas en elektriciteitsverbruik.
Scope 3 kijkt breder en omvat ook de uitstoot die ontstaat door aangekochte producten en diensten, woon-werkverkeer en andere activiteiten in de keten.
In dit artikel kijken we naar de volledige CO₂-voetafdruk van het schoonmaakproces. Daardoor ontstaat een completer beeld van waar de uitstoot daadwerkelijk vandaan komt.
Woon-werkverkeer is de grootste uitstootbron
Binnen de analyse van CSU levert mobiliteit de grootste bijdrage aan de totale CO₂-uitstoot.
Mobiliteit bestaat uit twee onderdelen:
-
Woon-werkverkeer van medewerkers (dagelijkse ritten van schoonmakers naar de objecten, zij reizen met de eigen auto, fiets of openbaar vervoer)
-
Zakelijke mobiliteit, zoals reizen tussen locaties en kantoren (de ritten tussen objecten of tussen kantoor en objecten, ook met eigen auto, fiets en openbaar vervoer)
De ritten die met leaseauto’s en bedrijfsbussen worden gemaakt vallen niet onder zakelijke mobiliteit, maar zijn meegenomen bij brandstof- en electriciteitsgebruik.
Uit de analyse blijkt dat vooral woon-werkverkeer een grote impact heeft. Ruim een derde van de totale uitstoot van CSU hangt samen met de dagelijkse reis van medewerkers van en naar hun werk. Samen zorgen woon-werkverkeer en zakelijke mobiliteit voor ongeveer 40 procent van de totale uitstoot.
Dat aandeel kan per organisatie verschillen. Factoren zoals dagschoonmaak, langere diensten en werken dicht bij huis hebben invloed op de uiteindelijke cijfers.
Verbruiksartikelen hebben meer impact dan veel bedrijven denken
Binnen deze categorie zijn vooral de volgende productgroepen bepalend:
- Handschoenen (20–30% van uitstoot productgroep)
- Vuilniszakken (20–30% van uitstoot productgroep)
- Hygiënepapier (15–20% van uitstoot productgroep)
- Bedrijfskleding (5–10% van uitstoot productgroep)
- Moppen, doeken en stelen (5 0% van uitstoot productgroep)
- Schoonmaakmiddelen (~5% van uitstoot productgroep)
Opvallend is dat juist relatief eenvoudige verbruiksartikelen verantwoordelijk zijn voor een groot deel van de uitstoot. Binnen CSU vertegenwoordigen handschoenen, vuilniszakken en hygiënepapier samen meer dan de helft van de uitstoot binnen deze categorie.
Voor CSU zijn handschoenen en vuilniszakken samen zelfs verantwoordelijk voor een groter aandeel in de totale uitstoot dan het eigen wagenpark en de kantoren.
Schoonmaakmiddelen zijn niet de grootste CO₂-factor
Schoonmaakmiddelen krijgen in duurzaamheidsdiscussies vaak veel aandacht. De analyse van CSU laat echter zien dat hun bijdrage aan de totale CO₂-uitstoot binnen deze categorie relatief beperkt is.
Dat betekent niet dat schoonmaakmiddelen geen impact hebben. Op thema's als gezondheid, waterkwaliteit en biodiversiteit kunnen zij wel degelijk een belangrijke rol spelen. In deze analyse kijken we uitsluitend naar CO₂-uitstoot.
Machines: zowel productie als gebruik tellen mee
Machines vormen binnen de analyse van CSU ongeveer 10 tot 15 procent van de totale uitstoot.
Daarbij wordt gekeken naar:
- de productie en verwerking van machines
- het energieverbruik tijdens het gebruik
Vooral de productie van machines weegt zwaar. Voor de winning van grondstoffen, productie, transport en verwerking van materialen zoals staal en kunststof is veel energie nodig.
Bij CSU zorgt de productie van machines voor zo’n 9 à 10 procent van de totale uitstoot. Het energieverbruik van machines voegt daar nog eens ongeveer 5 procent aan toe.
De exacte verdeling verschilt per organisatie. Daarbij speelt bijvoorbeeld ook mee of machines worden gekocht of geleased.
Scope 1 en 2: wagenpark blijft belangrijk
Brandstofverbruik van voertuigen en energiegebruik van gebouwen zijn samen verantwoordelijk voor ongeveer 15 procent van de totale uitstoot.
Binnen deze categorie bestaat de uitstoot vooral uit:
- Fossiele brandstoffen voor voertuigen
- Elektriciteitsverbruik (zowel in panden als elektrische voertuigen)
- Verwarming van gebouwen
Kijk je uitsluitend naar scope 1- en scope 2-emissies, dan is het wagenpark veruit de grootste uitstootbron. Binnen CSU is deze categorie goed voor ongeveer 85 procent van de directe emissies.
Dat verklaart waarom veel verduurzamingsmaatregelen zich richten op elektrificatie van voertuigen. De analyse laat echter zien dat dit slechts een deel van de totale CO₂-voetafdruk betreft.
Waar liggen de kansen?
De analyse van CSU laat zien dat organisaties die hun volledige CO₂-voetafdruk willen verkleinen verder moeten kijken dan brandstof en elektriciteit alleen.
Mogelijke maatregelen zijn:
- Stimuleren van fiets- en OV-gebruik
- Verminderen van reisafstanden door slimmer plannen
- Verder verduurzamen van het wagenpark
- Overstappen op groene stroom
- Verminderen van het gebruik van handschoenen en vuilniszakken
- Kiezen voor circulaire of gerecyclede materialen
- Inzetten op duurzamer hygiënepapier en bedrijfskleding
- Efficiënter gebruik van machines
Conclusie
De analyse van CSU laat zien dat de grootste CO₂-hotspots binnen deze organisatie niet uitsluitend liggen bij brandstofverbruik of elektriciteit. Vooral woon-werkverkeer, verbruiksartikelen en machines leveren een belangrijke bijdrage aan de totale uitstoot.
Hoewel de exacte verdeling per schoonmaakbedrijf zal verschillen, biedt de analyse waardevolle inzichten voor organisaties die hun eigen CO₂-voetafdruk beter willen begrijpen. Ook de duurzaamheidsrapportage van Asito laat zien dat mobiliteit en scope 3-activiteiten een belangrijke rol spelen. Wie serieus werk wil maken van CO₂-reductie, doet er daarom goed aan naar de hele keten te kijken.
Meer informatie
- Klimaatplan Total Care (CSU, Tzorg en Zizo)
- Rapportage CO₂-uitstoot 2025 (Asito)
- Toelichting op scope 1, 2 en 3 (co2emissiefactoren.nl)